D1. H3. Nut en waarde
Dit werk wil tonen dat een volk een veelheid en grootheid heeft als een berg. Een berg bekleed met schone en prachtige natuur, waar men op het hoogste punt schitterende bergpieken vindt, die een uitzonderlijk uitzicht over de wereld bieden. Elk volk heeft het schone, wat in verband staat met het onmiddellijke en alledaagse, de natuur van de berg; en het verhevene, wat in verband staat met de lange duur en het bijzondere, de bergpieken.
Dit werk heeft als algemeen doel gevoel voor diepere waarden te bevorderen. Hierbij is het zinnig te denken vanuit de tegenpolen nut en waarde. Nut is het praktische, zakelijke, dat wat zin heeft voor een bepaald doel. Waarde is wat van zichzelf betekenis heeft, een doel op zichzelf.
Wat betreft de betekenisvolheid van een volk verbeeldt als een berg, kan men de natuur vernietigen en kan dikke mist de bergpieken aan het zicht onttrekken. Dit gebeurt als een maatschappij zich in de tegenstelling nut-waarde, zich eenzijdig op de vervlakkende en verzakelijkende werking van nut richt. In het Westen ziet men, door de vooruitgang op stoffelijk vlak, dat men toenemend onder de invloed is geraakt van welvaart en wetenschap, met als natuurlijk gevolg dat het welzijn van het ik en zakelijk denken in het middelpunt komen te staan. Maar als men oude werken van het Westen leest, of zelfs oude alledagelijkse artikelen dan ziet men het denken doorvlocht van het hele kosmische Palet: godsdienst en wetenschap, hogere wijsbegeerte en goed boerenverstand; het baanbrekende nieuwe en de eeuwigheidswaarde van oude eerbiedwaardige overleveringen; de waarde van het ik én de gemeenschap, zoals een volk.
Johann Gottfried Herder (1744-1803) was een Duits wijsgeer en godgeleerde, bekend van het begrip tijdsgeest (Zeitgeist), maar die ook het begrip volksgeest (Volksgeist) bezigde. Hij vertolkt de uitgestrekte betekenis van een volk, in dit geval uitgaande van het begrip taal, in de volgende aanhaling uit zijn werk Briefe zu Beförderung der Humanität (Erste und zweite Sammlung) op grootse wijze:
“Hat wohl ein Volk, zumal ein unkultivierteres Volk etwas Lieberes, als die Sprache seiner Väter? In ihr wohnet sein ganzer Gedankenreichthum an Tradition, Geschichte, Religion und Grundsätze des Lebens, alle sein Herz und Seele. Einem solche Volk seine Sprache nehmen oder herabwürdigen, heißt ihm sein einziges unsterbliches Eigentum nehmen, das von Eltern auf Kinder vorgeht.”
("Is er voor een volk, vooral een onontwikkelder volk, iets dierbaarders dan de taal van zijn voorouders? In die taal leeft zijn gehele rijkdom van gedachten aan tradities, geschiedenis, godsdienst en levensbeginselen, alles zijn hart en ziel. Een dergelijk volk zijn taal afnemen of deze schaden, betekent dat men hen hun enige onsterfelijke bezit afneemt, dat van ouders op kinderen wordt doorgegeven.”)
Het is zeldzaam zo'n schitterend gevoel voor waarde in onze tijd uitgedrukt te zien. De vraag is echter: hoe kan men deze waarden werkelijk vatten als men er niet mee opgevoed is? Onbekend maakt onbemind. Terzijde zij opgemerkt hoe belangrijk het is dat een mens van de bovenlaag als Herder de geest en het hart van het volk kent en waardeert.
Verdere opmerkingen over waardering van de volksziel in het hoofdstuk over de Amerikaanse volksziel.
