dinsdag 30 april 2024

D2. H3. De Engelse volksziel - Het volk dat het verhaal in alles ziet. Het Schone eigene. De verheven geschiedenis. De figuur van de eigenzinnige wetenschapper. Saturnus - Uranus 

Emmanuel Kant zegt over de Engelsen:

“Er ist ein schlechter Nachahmer, frägt nicht viel darnach, was andere urtheilen, und folgt lediglich seinem eigenen Geschmacke. [...] Er ist standhaft, bisweilen bis zur Hartnäckigkeit, kühn und entschlossen, oft bis zur Vermessenheit und handelt nach Grundsätzen gemeiniglich bis zum Eigensinne.“

(Hij is niet goed in nadoen, geeft niet veel om wat anderen denken en volgt alleen zijn eigen smaak. [...] Hij is standvastig, soms tot het hardnekkige af, moedig en vastberaden, vaak tot het aanmatigende af, en handelt naar grondbeginsels, doorgaans tot het koppige af.)

Dit uitgangspunt, om aan de eigen weg vast te houden, komt overeen met andere genoemde eigenschappen van de Engelsen: net omdat men een eigen weg kiest, vindt men minder snel een gedeelde toon en voelt men sneller een bepaald sociaal ongemak, vooral bij onbekenden. Sommige Engelsen zijn daardoor terughoudend, maar ook beleefd ten bate van een goede verstandhouding. (De Engelse kunstbespreker Kenneth Clark zei in zijn documentaire uit 1969 over beschaving: “Ik geloof in hoffelijkheid, het ritueel waarmee men vermijdt de gevoelens van anderen te kwetsen om jezelf tevreden te stellen.” ("I believe in courtesy, the ritual to avoid hurting other peoples feelings to satisfy ones ego."))

Een Franstalig schrijver* stelt dat de Engelsen een bepaalde “froid dignité” hebben, een koele of afstandse waardigheid. Onder het Engelse volk treft men minder een gedeeld gevoelen (en diens druk) zoals men dat op het vasteland vindt. Typisch Engels is dat men kracht in verband brengt met vasthoudendheid (de “British bulldog”) en zelfbeheersing met stijfheid (de “stiff upper lip”), een verheerlijking van het vasthouden van de eigen weg.

Als eerste insteek hebben de Engelsen als Germaans volk, zoals gezegd, dus Saturnus (gevestigdheid). De tweede insteek van het Engelse volk is Uranus, dat staat voor verzameling. Samengesteld is dat: verzameling vestigen en bestendigen. Hierdoor draait het om de blijvende verzamelde eigenschappen van iets, ofwel het unieke der dingen. Uitgebreider gesteld richt de Engelse volksziel Saturnus-Uranus op: uniekheid, eigenheid, afwijking, afzondering, bijzonderheid, oorspronkelijkheid, het eigene, verandering, plotsheid. In de praktijk vooral het eigene van mensen en werelden.

Men zou kunnen stellen dat de Engelsen als men de wereld ziet als een bos, men in bijzonder bewust en gericht is op het eigene van elke boom: de soort, grootte, vorm, ligging en levensverloop. De Engelsen eerbiedigen het eigene van de dingen, en begrijpen dat het unieke aan iets diens bestaan maakt. Zodoende kiest men voor het ik dus ook sterk een eigen weg. Men wordt minder weggetrokken of meegesleept door anderen of een omgeving. Men houdt de eigen koers aan, rechtlijnig, ofwel men houdt die staande zonder te buigen. Opmerkelijk en in verband daarmee is hoe de klare recht opgaande lijn een rol speelt in de Engelse bouwstijl, daardoor het typische Engelse gebruik van dunne “stavige” torentjes bij kerken, bijvoorbeeld bij de hoofdtoren die dan niet verdunnend eindigt in een punt maar vier dunne torentjes op de hoeken. Deze stijle stavigheid is bijvoorbeeld te zien bij paleis van Westminster, veel kathedralen, maar ook andere gebouwen. Het schept een gevoel van de wacht houden, stramheid, correctheid, ijle hoge idealen, hemelse verhevenheid. In verband daarmee lijkt Engelse schoonheid als klaar hoog gezang en kristal. Ook overeenkomt daarmee bij rond 16e eeuwse Engelse huizen het staande houtwerk, anders dan bijvoorbeeld de Duitse zigzagvormen, ziet men de balken afgezonderd (Uranus) naast elkaar als een rij I-en: IIIIII. De voornoemde kunstbespreker Kenneth Clark stelde dat in 16e eeuws Engeland huizenbouw de de kunstvorm bij uitstek was, passend, aangezien een huis of thuis als een unieke wereld op zichzelf te zien is.  Anderzijds zijn er de oude Engelse huizen met rieten daken alsof er een dikke deken op ligt, die een gezellige indruk maken. Doorgaans is het volkse gezelliger en het bovenlaagse statiger. Maar wellicht staat dit onderscheid in verband met het sterke standenverschil in het Engelse volk. Op te merken is ook nog dat de aardrijkskundige omstandigheden van de Engelsen overeenkomen met diens volksaard als deel van een eiland, afgezonderd van een groter geheel. 

Engelse humor richt zich op het zonderlinge en eigenzinnige zoals Mr Bean en Monty Python (bijvoorbeeld het ministerie van vreemde loopjes (“ministry of silly walks”)). 

De volkstaal staat altijd in verband met de volksziel. De Engelse taal en schrijfwijze komen zeker treffend overeen met het beginsel van het gevestigde afzonderlijke of eigene. Kenmerk van het Engels is dat, bijna als Chinese tekens, veel woorden een eigen schrijfwijze hebben. Dezelfde klank wordt anders geschreven voor verschillende woorden, dezelfde lettervolgorde weer anders uitgesproken. Wil men iemand die Engels leert pijnigen vraag hem ‘necessarily’ te schrijven of ‘bow’ en ‘gauge’ uit te spreken. Het Engels benadrukt zo uniekheid van woorden. Ook, zeker vergeleken met andere Germaanse talen, maakt men weinig gebruik van voegwoorden, woorden worden zo op zichzelf staand, en rechtvaardigt op die wijze ook de verkorting van woorden (eenzelfde tekst is in Nederlands en Duits aanmerkelijk langer).

Een goed vertolker van de Engelse volksaard is de eerste persoon enkelvoud in diens taal: “I”. Uniek aan het Engels, vergeleken met de talen van het vasteland is dat het geen gebruik maakt van een formele en informele tweede persoon enkelvoud zoals in het Nederlands u en jij, er is slechts “you”. De engelsman lijkt te spreken als iemand van adel, voor zichzelf gebruikt hij een hoofdletter, maar niet voor anderen. In het Duits is er een tegenovergestelde: men is zelf een “ich”, kleine beginletter, waar een ander formeel een “Sie” kan zijn, grote beginletter. Het is niet zo dat de zielkundige richting van het Engelse volk inhoudt dat men op anderen neerkijkt, meer dat men gelijken ziet, met een eerste achting voor de persoon, de eigenheid van de ene mens. Zelfs beeldend vertolkt “I” een staande mens, gehuld in en vereerd met een hoofdletter. 

Ook eigen aan het Engels is het gebruik van het woord “folk” vergelijken met andere Germaanse volkeren. Voor volk zegt men “the people”, met “people” bedoelt men echter, meer dan het Nederlandse "volk", ook gewoon mensen. Wederom ziet men hier een adellijk uitgangspunt: het volk heeft geen naam, maar is slechts de grote hoop. Het woord “folk” is naar onder gedegradeerd voor weinig ontwikkelde plattelandse dingen. De oorsprong ligt in de inval van Willem de Veroveraar in 1066. Hierdoor kreeg het Engelse volk een Franstalige bovenlaag en werd het belang van een uitwendigheid klasseonderscheid groter. Hierdoor werd bijvoorbeeld ook “folk” (Germaans) “people” (Romaans). Zo verminderde de Germaanse volksheid en diens bindingsgrond, het gevoel van een volksgemeenschap, ten bate van een sterker klassebewustzijn. Engelstaligen zijn zo het minst Germaans van alle Germanen. Anderszins werden de Engelsen sterker gebundeld onder een verenigd bestuur vergeleken met de verdeelde Germanen van het vasteland (zie bijvoorbeeld het Heilige Romeinse Rijk). Ook werd de binding tussen bestuur en volk meer geregeld door een bewust stelsel dan onbewuste overlevering en volksgevoel. Hierdoor werd wat samen bond meer bepaald door een bewuste verstandhouding dan gemeenschapsgevoel zodat de enkeling meer vrijheid werd geven op dit gebied.

Deze gerichtheid op maatschappelijke stelsels en normen is ook zeer Engels. Wat verbindt de Engelsen immers zielkundig of gevoelsmatig met elkaar als ieders weg wordt geëerbiedigd? Het is het verstandelijke en praktische wat overblijft. De gedeelde normen en nuchtere feitelijkheden worden dan de hoofdzaak. 

Het belang van gedeelde normen verklaart het Engelse gebruik om net in de rij te gaan staan, bijvoorbeeld voor de bus, en het hooghouden van “Fair Play” (eerlijk spel of sportiviteit). 

Het belang van de praktische werkelijkheid verklaart het vooropstellen van “common sense” (gezond verstand), maar ook de wijsbegeerte van het Engelse empirisme (in goed Nederlands het ervarings of ervaringsgezindheid), waarin gesteld wordt dat kennis voortkomt uit de ervaring. Anders dan de Franse en Duitse wijsbegeerte die zich zeer sterk kan richten op het overstijgende, de metawijsbegeerte of bovenwijsbegeerte, is de Engelse gericht op de praktische werkelijkheid. Dat, wat ontegenzeggelijk voor iedereen geldt. Als de eigenheid van de enkeling voor alles komt, dan zal de enkeling zijn eigen wijsbegeerte hebben. De volkswijsbegeerte, het gedeelde, moet daardoor stoelen op het tastbare, onontkenbare.

Het vooropstellen van gedeelde normen heeft gemaakt dat de Engelsen uitblinken in bewust nadenken over maatschappelijke regels en stelsels. Waar tijdens de Renaissance de bekendste geleerden van het vasteland zich vooreerst richten op letterkunde, intellectuele ontwikkeling (Erasmus), godsdienst (Luther), leiderschap (Machiavelli), richt de grootste Engelse geleerde, Thomas More, zich op maatschappelijke regels en normen in zijn bekende werk Utopia uit 1516, waarin hij ook een eigen bestuursbestel uitdacht. Aan dit werk is ook het woord utopie te danken. Tot groot voordeel van de mensheid is de ontwikkeling door de Engelsen van het parlementaire stelsel. Bij uitstek vertoont het de gave van het Engels volk om maatschappelijke stelsels voort te brengen, en heeft het daarmee met eeuwige roem overladen. De kern ervan ligt in het verhogen van een vertegenwoordigend lichaam boven dat van een vorst. Dit is niet ten eerste een vraagstuk voor studeerkamergeleerden, maar draait vooreerst om een draagvlak en gedeelde waarden, bijvoorbeeld aangaande rechtmatigheid van gezag, onder het volk.

De kunstvorm die het meest eigen is aan de Engelsen is de letterkunde. Omdat de Engelse volksziel gericht is op het gevestigde enigsoortige, worden unieke persoonlijkheden, unieke gebeurtenissen en unieke werelden in het middelpunt gezet, dat wat bij uitstek bij een verhaal aan bod komt. De letterkunde is doorgaans ten eerste gestoeld op unieke personages die men tevens inwendig bewust kan leren kennen. Waarmee dus het Engelse volkszielkundige beginsel van eigenheid en afzonderlijkheid recht wordt gedaan naast het daarmee verbonden verstandelijk begrip. Daarnaast komt ook de bewuste persoonlijkheid van de schrijver meer dan bij andere kunstvormen tot uiting. Er zijn veel beroemde Engelse schrijvers te noemen, van Shakespeare tot Tolkien, maar ook opmerkelijk is dat van andere kunstvormen men veel van het vasteland gebruik heeft gemaakt, bijvoorbeeld Holbein voor de schilderkunst en Händel voor de muziek. De eigen schilderkunst echter komt vaak overeen met een illustratie voor een verhaal, of munt daarin uit. Zie bijvoorbeeld Turners schilderij: “De vechtende Temeraire, gesleept naar haar laatste ligplaats om te worden gesloopt” uit 1838. Dat heel erg een verhaalogenblik en tijdsverwending verbeeld waarbij het verstandelijke daardoor ook een rol speelt. Hoofdzaak hierbij is het opwekkend van een verhaalgemoed. De Prerafaëlieten zijn een ander voorbeeld, waar veel schilderijen lijken op een momentopname van een toneelopvoering. Bij dit soort duidingen moet men natuurlijk altijd letten op wat in trek is in een bepaald tijdperk, genres, materiaal, en klasseinvloed. Bepalend is, bijvoorbeeld in verband met buitenlandse invloed, of een volk zijn waarachtige ziel tot uiting kan brengen. Om zo de hoogste vertolker van zijn zielkundige richting voor volk en mensheid tot uiting te brengen.

De letterkunde als de meest Engelse kunst staat ook in verband met dat Engelsen het verhaal in alles zien en zoeken. Zij zijn de verhalenvertellers van West-Europa. Er is eerder gesteld dat de typische Germaanse kunstvorm het treurspel is, waar het onvermijdelijke verlies, het onherstelbare noodlot, mooi wordt gemaakt. De Engelse begrijpen echter het beste van alle Germanen dat het verhaal, de unieke kijkwijze, de betekenis van de dingen bepaald. Engelsen zijn bijzonder goede vertellers (de eigen duiding van Uranus) van wat geweest is (het onveranderlijke van Saturnus) en hebben een groot gevoel voor het verhevene van geschiedenis. Engelsen zijn ook uitstekende documentairemakers.

Nu zijn de Engelsen geschiedkundig in enige mate een krijgszuchtig volk, vergelijkbaar met de oude Pruisen, en hebben zo veel overwinningen op hun naam staan in de geschiedenis. Elke goede Engelse vaderlander weet van Agincourt, de Spaanse Armada, Trafalgar (“England expects that every man will do his duty”), Waterloo, en de slag om Engeland. Het is echter makkelijk schrijven als men de zege behaald. Maar het is net bij een verlies waar de Engelse gave van vertellen uitblinkt. Zoals gezegd beseffen de Engelsen als geen ander dat het verhaal, niet de feiten, de winnaars en verliezers uitmaakt. Een treffend voorbeeld hiervan is de wedloop om de Zuidpool waarbij de Engelse ontdekkingsreiziger Robert Falcon Scott zijn leven verloor. Hoewel hij niet als eerste de Zuidpool bereikte werd zijn poging door het Engelse volk schoon bezongen en hij als held gevierd, waarbij opmerkelijk is hoe zijn dagboek daarbij een rol speelt, Scott beschrijft in die zin zijn eigen ondergang en opmerkelijk dichterlijk. 

Al met al ligt de wijsheid van de Engelse volksziel in het inzicht enerzijds dat men de medemens echt van dienst kan zijn als men zich niet, door inleving, in de ander verliest, waar men als het ware de ander wordt, maar door mee te leven met afstand, behoudend eigen zelfstandige kracht en onpartijdig inzicht. Iedereen heeft zijn eigen verhaal en zijn, wat men recht moet doen. Anderzijds ligt de wijsheid van de Engelse volksziel in het inzicht dat men het beste de wereld van dienst is door zich niet in de wereld te verliezen, toegespitst zijnde op de zakelijke feiten, maar door een afstandelijke wijze duiding; in bijzonder met een verhaal, dat wat alles in de wereld een ware betekenis geeft. 


dinsdag 2 april 2024

D2. H1. De Germaanse en Romaanse volkszielen.

D2. H1. De Germaanse en Romaanse volkszielen.

In dit werk worden alleen van Germaanse en Romaanse (Latijnse) volkeren een afzonderlijke tweede zielkundige duiding gegeven. Deze volkeren vormen de meerderheid in West-Europa. Ze kennen een lange, gedeelde geschiedenis waarbij vooral de Romaanse volksvruchten, zoals de Rooms-Katholieke kerk, de Germaanse volkeren hebben beïnvloed. Daarom is het wellicht voordelig ze ook vergelijkend te bespreken, zoals hier gedaan wordt. De mate waarin een volk aan bod komt hangt vooral samen met in hoeverre schrijver dezes er bekend mee is.


De Germaanse volksziel is gegrond op het begrip inperking. In astrologische termen Saturnus, dat ook staat voor het gevestigde, regels, gezag. De Romaanse volksziel volgt het begrip vormgeving, in astrologische termen Venus, dat ook staat voor aantrekking, schoonheid, waarde.


In vergelijking zal een Germaan zich meer richten op wat men zegt, een Romaan meer op hoe men wat zegt. De Germaan let immers eerst op het gevestigde, betrekkelijk bezien, de Romaan eerst op vormgeving. De Germaanse volksziel spitst zich meer toe op het onpartijdige, meer het tastbaar vaststaande gedeelde; de Romaanse volksziel meer op het partijdige, de beleving, "hoe wij iets voelen". De Germaan snapt dat er dingen zijn die men niet kan veranderen, de Romaan snapt dat de vormgeving de kijkwijze en daardoor de waarde van dingen bepaald.


Het Duitse (Germaans) en Franse (Romaans) volk hebben beide als tweede richting Jupiter, het beginsel van uitbreiding, daardoor wordt de eerste richting van beide volkeren benadrukt. Zoals te zien is in de omschrijving van beide volkeren. 


Van elke volksziel is te zeggen dat er een kunstvorm is die er het beste bij aansluit. Hierbij wordt feitelijk op een richting Venus toegepast, aangezien Venus onder andere staat voor bewuste vormgeving en schoonheid. Venus toegepast op de Germaanse richting, Saturnus, is inperking, het gevestigde, het onvermijdelijke (maar ook noodlot, verlies), mooi maken, dit gebeurt in het treursspel (tragedie). Venus toegepast op de Romaanse richting, Venus, is schoonheid, waarde (maar ook het aangename, aantrekkelijke) mooi maken, dit gebeurt met kookkunst (eten is immers iets begeerds, wat men vervolgens beter maakt) en liefdesbrieven (en andere liefdeskunst, men “versierd” een geliefde immers).